In het voorjaar en de zomer worden veel jonge vogels gevonden op de grond. Dat ziet er zielig uit, maar vaak is er niets mis. Neem je zo’n jonge vogel toch mee terwijl de ouders nog in de buurt zijn, dan wordt dat chicknapping genoemd.
Jonge vogels verlaten het nest vaak voordat ze goed kunnen vliegen. Ze passen niet meer goed in het nest en moeten buiten oefenen. Dat gaat nog wat onhandig. Ze hippen rond, fladderen een stukje en zitten soms stil in het gras of onder een struik.
De oudervogels zijn meestal nog in de buurt. Je ziet ze alleen niet altijd. Als jij dichtbij staat, blijven ze vaak op afstand. Zodra het rustig is, komen ze meestal terug om hun jong te voeren.
Deze periode is heel belangrijk. Een jonge vogel leert buiten het nest hoe hij moet bewegen, schuilen, eten zoeken en reageren op gevaar. Dat leert hij vooral van zijn ouders.
Natuurlijk bedoelen mensen het goed als ze zo’n vogeltje oppakken. Toch is dat vaak niet nodig. Sterker nog: als je een gezonde jonge uitvlieger meeneemt, haal je hem weg bij zijn ouders. Dierenhulpverleners kunnen veel, maar ze kunnen de oudervogels niet helemaal vervangen.
Een jonge uitvlieger heeft meestal al veren, open ogen en kan vaak hippen, fladderen of een klein stukje vliegen. Soms heeft hij nog een kort staartje en ziet hij er wat stuntelig uit. Dat hoort erbij.
Zit de vogel op een gevaarlijke plek, bijvoorbeeld midden op een fietspad of vlak bij een kat? Zet hem dan voorzichtig op een beschutte plek in de buurt, zoals onder een struik of op een lage tak. Breng hem niet ver weg. De ouders moeten hem kunnen terugvinden.
Een kaal jong of een jong dat nog maar weinig veren heeft, hoort meestal nog in het nest. Zo’n nestjong kan zichzelf nog niet goed warm houden en heeft de zorg van de ouders hard nodig. Kun je het nest vinden en is het jong niet gewond? Dan kun je het voorzichtig terugzetten.
Bel de dierenambulance of een vogelopvang als het jong gewond is, slap of koud aanvoelt, door een kat of hond is gepakt, of als je het nest niet kunt vinden. Doe dat ook bij twijfel. Geef de vogel zelf geen eten of water, want dat kan verkeerd gaan.
Let extra op bij zwaluwen. Huiszwaluwen, boerenzwaluwen en gierzwaluwen horen pas uit het nest te komen als ze goed kunnen vliegen. Vind je zo’n jonge vogel op de grond, vraag dan altijd advies aan een vogelopvang of dierenambulance.
> Lees hier waar je nog meer op kunt letten bij het vinden van een vogel
Zie je een jonge vogel op de grond? Kijk dan eerst rustig van een afstand. Is hij alert, heeft hij veren en zit hij op een veilige plek? Dan kun je hem meestal het beste laten zitten.
Twijfel je toch? Bel dan de dierenambulance of een vogelopvang in jouw regio. Zo voorkom je chicknapping en help je jonge vogels op de manier die voor hen het beste is.
Bron: Vogelklas Karel Schot